Arnold Karskens leest zijn verhaal 'Au clair de la lune' voor. Hij schreef het voor aflevering 3 van De Pennen zijn Geslepen.

De doodsangst kende vele vormen. Bij de meeste passagiers kneep de maag samen. Ze moesten braakneigingen onderdrukken, zochten steun tegen de wand van het metrostation, pakten hun zakdoek en veegden het slijm rond hun mond weg. Iedereen schreeuwde van pijn, van schrik, maar niemand verstond de hulpkreten, hun trommelvliezen waren gescheurd of ingedrukt. Uit de nevel doemden radeloze gezichten op van medereizigers die dreigden te stikken door gloeiend hete roetdelen in hun keel. Ze hapten naar lucht als vissen op het droge. Bejaarden bleven verlamd liggen. Jongeren met meer elastische beenderen kronkelden op handen en voeten verder.

Een blonde vrouw boog over een kleuter voor wie zij ‘Au clair de la lune mon ami Pierrot’ neuriede.

Slechts een paar moedigen renden niet impulsief met de stroom mee naar de uitgang, maar baanden zich een weg terug naar de spoorhal waar dood en duisternis heerste. Met de lamp van hun mobiele telefoon schenen ze rond en zagen hoe de immense drukgolf ieder denkbaar voorwerp had verplaatst. De tl-buizen boven het perron slingerden aan elektriciteitsdraden. De prullenmanden aan de wanden waren platgewalst, de levensgrote affiches van smeerkaas en lachende koeien aan stukken gescheurd.  Water sijpelde uit gebroken leidingen en kletterde op de vloer. Van het metrostel hingen de deuren scheef in de scharnieren, het glas van de ramen tot de rubberen randen verbrijzeld.

De in- en uitstappende passagiers, de wachtenden, de reizigers in het metrovoertuig staarden enkele seconden eerder in een verblindend licht. Wie stond werd opgetild door een verzengende luchtstroom die de huid van hun gezicht en handen trok, de kleding van hun lichaam afscheurde en de aderen in hun lichaam als elastiek oprekte en liet knappen. In stukken gereten, geurend naar verschroeid vlees lagen ze roerloos meters verder

Wie op de bankjes zat, werd doodgedrukt tegen de wand en wekte de indruk dat hij of zij, met de kin op de borst, sliep. Bij een groepje kinderen waren de schooluniformen uit elkaar getrokken alsof een horde roofdieren op hen was losgelaten. Bewegingsloos lag ook de donkere vrouw die in pidgin English enkele minuten eerder aan medepassagiers vroeg naar de naam van dit station. De kleine gaten in haar jurk zweetten druppels bloed. Een blonde vrouw boog over een kleuter voor wie zij ‘Au clair de la lune mon ami Pierrot’ neuriede. Onder het korte zomerjurkje staken levenloos twee beentjes. In de hand hield het kind een stuk van een hondenriem. Een paar meter verder jankte een poedel, schraapte met de poten over de vloer maar kwam niet vooruit.

Ieder drama kent een icoon, een dramatisch beeld wat beklijft, dat de idioterie van misdaad symboliseert. In het metrostel stond een man in driedelig pak op. Tranen hadden twee zwarte strepen over zijn bestofte gezicht getrokken. Met een aktetas in zijn linkerhand zwalkte hij naar de uitgang, verloor op de drempel zijn evenwicht en zocht met zijn rechterarm steun aan de deurpost. Zijn hand ontbrak. De bebloede pezen, die wel uit de mouw staken, boden geen houvast en hij viel voorover op het perron.

Een steekvlam onder de middelste wagon verlichtte de plek op het platform waar de tegelvloer was verbrijzeld: het epicentrum van de detonatie. De bomgordel sloeg bij de explosie de benen van de aanslagpleger weg. Ze lagen verspreid tussen de verloren slippers en in de haast uitgetrapte schoenen.
Het middengedeelte, de organen als longen, maag en darmen, mengde zich met de dodelijke kracht van acetonperoxide en gloeiendhete ronde kogeltjes. Het bovenste deel van het lichaam werd als een raket gelanceerd. Wie een zaklantaarn naar boven keek, zag een doffe vlek op de witte plafondtegels. Recht daaronder lag een torso met twee armen en de ingedrukte schedel van een vrouw, de lange haren gewikkeld in gerafelde stof. Haar mond stond open, alsof ze riep; een waarschuwing, een verwensing. Wat, zou niemand ooit weten.

In het trappengat klonken voetstappen en geschreeuw van orders. Reddingswerkers arriveerden; brandweermannen met portofoons in de hand en luchtpersflessen op de rug, gevolgd door ambulancepersoneel in fluorescerende hesjes zeulend met EHBO-koffers. Bij binnenkomst stonden ze als verstijfd stil. Alle primaire kleuren die deze ochtend nog leven, hoop en liefde bij de passanten uitstraalden, waren in deze sarcofaag verdwenen. Wat restte in de ruimte was diep zwart met het grijs van speurende zaklampen.
Alleen ver weg in de metrobuis knipperde een rood licht.  

Arnold