Arnold Karskens leest zijn verhaal ‘De balenpers’ voor. Hij schreef het voor aflevering 5 van De Pennen zijn Geslepen.

De lange man en de korte man volgen met hun ogen de kwetterende weidevogels die laag overvliegen, om hun eigen lengteas tollen en met topsnelheid elkaar kruizen boven het gemaaide gras.
‘Het zijn kieviten,’ zegt de korte.
‘Nee, grutto’s, dat zie je toch. Een kievit heeft een witte buik. Een grutto is meer oranje.’  
‘Het gaat onweren, daarom vliegen ze onrustig. Iedereen doet dwaas als het gaat onweren, zegt thuis mijn moeder altijd.’
De lange schudt zijn hoofd. ‘Wie stom is, wordt echt niet stommer door een regenbui.’
De fles wodka staat op een balenpers, een landbouwmachine die touw om samengeperst hooi slaat. Hun bezweette gezichten zijn donker van het stof. Ze heffen het glas.
‘Na zdrowie.’
‘Na zdrowie.’
Een vloek onderbreekt de toast. ‘Zakkenwassers.’
Aan hun voeten ligt een man gekleed in een blauwe overall. Zijn rechterbovenarm klemt tussen de ijzeren sprieten die het hooi oppakken. Zijn onderarm, dik en blauw, zit vast onder de spiraalvijzel die het gedroogde gras doorschuift naar de perskamer.
De korte schudt mistroostig zijn hoofd. ‘Ieder strootje moest hij zo nodig in de machine harken. De man is zo zuinig, nog te benauwd dat ie-kakt.’
De lange grijnst en tikt met zijn voet tegen de schenen van de boer. ‘Hoor je dat, slavendrijver. Je bent dom en een krent. We moesten ons zo nodig haasten voor de regen.’
‘Hij zei wel duidelijk: “wacht even”. Jij bleef doorrijden op de tractor met je dronken harses.’
‘Als Bruce Willis in de film A Good Day to Die Hard tegen auto’s aanknalt, is dat niet meteen zijn schuld. Die auto’s rijden daar, hij ook.’
‘Over hem zeggen ze: “Maakt-ie geen problemen, dan komen de problemen wel naar hem”.’
‘Wil je dat ik jouw kop nu in die machine trap? Als we de boer losmaken en laten lopen, klaagt hij ons aan. Met zo’n klauw kan hij geen koe meer melken. Enig idee wat een schadevergoeding gaat kosten!?’

Een bliksemschicht, vrijwel direct gevolgd door een donderslag, laat de twee mannen ineenkrimpen. Op hun hurken zien ze hoe bonte koeien op de belendende weilanden rond racen als gestoken. Dikke waterdruppels vallen met een klap op de balenpers die binnen paar seconden dreunt als een drumstel.
De lange kijkt de korte aan: ‘Wacht je tot engelen je komen helpen, of fucking Demi Moore?’
Ze stappelen balen hooi tot een vierkante iglo. Vanuit de opening kijken ze toe hoe een windvlaag de pet van de kale boerenkop slaat. De glazen worden opnieuw gevuld.
‘Zo direct gaat-ie dood,’ oppert de korte.
‘Niemand gaat dood als zijn arm even bekneld zit.’
De korte verzit en laat een scheet. ‘Zou hij met zijn rechter- of linkerhand rukken? Weet je dat sommige mannen niet met alle twee de handen kunnen masturberen? De verkeerde hand geeft ze niet het goeie gevoel.’
De lange kauwt op een strootje en wijst met het afgekloven deel naar de tractor voor de balenpers: ‘Er blijft niks van die boer over als we hem op de bestuurdersstoel zetten, die overgieten met diesel en in de brand steken. Zelf komen we weg bij de wilgen, daar ligt een plank over de sloot.’
‘Een barbecue kabanosy met rook en zo? Zijn vrouw heeft ons toch vanmorgen gezien toen we kwamen aanlopen. Ze loerde ons na of we voor haar doos kwamen.’
‘Zetten we dat wijf naast die boer op de tractor. Lezen we morgen op het internet: “Boer en boerin bij het hooien getroffen door de bliksem die ook de brandstoftank raakte”.’
Zwijgend kijken ze hoe de boer zijn benen langzaam strekt, schurend over de grond. Hij slaakt een diepe kreet, klagerig, als van een eenzaam kalf.
De korte wijst op de groeiende plassen water. ‘Oud land. Eenmaal doorweekt houdt het veen het gewicht van de balenpers niet. We moeten de machine eigenlijk verplaatsen, anders zakt-ie tot de assen weg.’
De lange tuit de lippen. ‘Of we duwen de benen van die boer onder de balenpers. Zinken de wielen, dan wordt hij doodgedrukt, of anders verzuipt-ie. Dat zou een ongeluk lijken. Alleen als de regen vroeg stopt, hebben wij een probleem.’
De korte haalt diep adem door zijn neus en draait met zijn wijsvinger cirkels. ‘Niks zo fris als de geur van een weiland bij onweer.’
Het kermen neemt toe en heeft nu iets weg van het janken van een angstige hond.
De lange spuugt in de richting van de boer. ‘Nooit zie je ons staan, zijn we maar Polen, en nu smeek je om aandacht.’

Na een kwartier nadert door het witte regenscherm een vrouw op laarzen. Van ver roept ze: ‘Zijn jullie daar! Waar is mijn man?’
De lange kruipt onder zijn afdak vandaan en loopt haar tegemoet. ‘Je kerel wilde voor Bruce Willis spelen’. Hij grijpt haar bovenarm. Als ze zich lostrekt, slaat hij haar met een vuist vol op de neus. Ze valt op de grond en de korte ziet hoe de lange samen met de vrouw, slepend aan de voeten, achter hooibalen verdwijnt. Even later komt hij terug. ‘Ze zat overal onder het bloed, vieze sloerie.’
‘Fuck yourself, waarom moest jij weer eerst?’
‘Als ik jou was, zou ik haar niet neuken. Of wil je ook onder die kleverige rotzooi zitten.’
De boer kermt luider. Hij ligt nu half op de grond, zijn hoofd gebogen, zijn arm als een bedelaar gestrekt.
De lange veegt zijn handen af een pluk hooi en slingert woest zijn hoofd. ‘Wat een kankerstel.’
Stilletjes drinken ze door tot de fles leeg is. Diens bestaan eindigt met een klap tegen de balenpers. De korte staat op en tuurt de horizon af. ‘Het onweer buigt af. Boven de populieren klaart de lucht al op.’
De lange loopt naar de tractor en draait de dop van de brandstoftank open. ‘Even kijken of er wel genoeg diesel is voor die twee?’