Arnold Karskens leest zijn verhaal 'De stoeptegel' voor. Hij schreef het voor de finale van De Pennen zijn Geslepen.

Met gestrekte armen houd ik secondenlang de stoeptegel boven mijn hoofd. Ik schat de afstand en span mijn triceps. Mijn collega’s hoor ik nog gillen: ‘Alexander, wat doe je nu?’ Ik reageer niet, spuug in de richting van mijn slachtoffer, slaak een vloek en gooi met alle kracht in mijn lichaam. Daarna wordt het zwart voor mijn ogen. Later hoor ik dat omstanders me met moeite tegen de grond weten te werpen. Met een Jack Nicholson-grijns op mijn gezicht zou ik iets hebben geroepen als ‘eindelijk.’
Mijn vrouw Suzanne vertelt me dat enkele uren later rechercheur De Jong, een dikke vijftiger, op de stoep staat. Hij legitimeert zich, kijkt met een scheef oog naar het kniehoge gras in de voortuin, en vraagt dan: ‘Bent u de echtgenote van Alexander Willemsen?
Ze reageert geschrokken: ‘Hij heeft zeker iemand in elkaar geslagen?’
Het blijkt erger.
Ondanks zijn lange staat van dienst heeft de politieman moeten slikken van mijn koelbloedigheid bij het zoeken van het maximaal effect. Zo heb ik de tegel niet plat, maar met het hoekpunt naar beneden gegooid. Een schoonmaakploeg heeft de stukjes hersens van de bomen moeten schrapen.
In onze woonkamer waar eeuwig kinderspeelgoed slingert kijkt De Jong naar de geknoopte wandtapijten, wat voor Suzanne een reden is voor een klaagzang. ‘Afghanistan. Hij heeft daar tweemaal een “tour” gedraaid, zo noemen ze een missie, alsof ze fietstocht in Frankrijk maken.’ Cynisme in mijn vrouw niet vreemd.
Het kan niet anders dat ze een sigaret opsteekt en zo diep inhaleert dat het voor de rechercheur lijkt alsof ze de rook inslikt. De wallen onder haar ogen zijn hem inmiddels vast opgevallen.
Ze zal moedeloos iets gezegd hebben als: ‘Het moest ervan komen. Zijn emoties hangen als waterdruppels aan een struik, één windvlaag en ze laten los.’
Rechercheur De Jong blijkt een professional. Ze loopt leeg als een gieter over ons privéleven, dat ik eigenlijk liever geheim houd. Dat ik me op haar afreageer en ook weleens een klap geef. Dat ik me daarna verontschuldig en uitleg dat het een echo is uit de oorlogsdiepte. De ene oud-oorlogsganger krijgt een spontane huilbui nog voordat hij een stap uit bed heeft gezet. De ander zet rond diezelfde tijd de fles aan de mond. Ik trek in mijn dromen de kussens kapot. Maar dat ik iemand dood zou maken heeft ze nooit achter me gezocht.
Terwijl door het plafond de voeten van onze spelende kinderen stampen, begint ze over mijn werk als ziekenverzorger op Kamp Holland in Zuid-Afghanistan, staat ze op en wenkt. Rechercheur De Jong volgt haar tot de zolderetage. In mijn gereedschapshok met ladders en hamers hangen tegen het schuine dak foto’s met wuivende kinderen langs de straat en militairen met volle rugzakken ploeterend door opwaaiend stof. Natuurlijk heeft ze gewezen op de groene Chora-vallei geklemd tussen zandkleurige bergtoppen.
Zelf denk ik vaak terug aan die dag van de opname. Hoe vanuit de amandelboomgaarden plots schoten klinken. Kort. Misschien een magazijn van dertig kogels uit een AK-47.
Ik zie hoe Suzanne haar vinger verplaatst naar de foto ernaast, een groepje kameraden nonchalant rond wat legertrucks. Van één man heb ik het gezicht met een viltstift zwart gemaakt; onze luitenant en vers van de academie. Hij geeft het peloton bevel uit te stappen. We moeten langs irrigatiekanalen naar een ommuurd huis sluipen. Daaruit zou zijn gevuurd. Ik zeg nog: “Luit. Ze schieten niet in onze richting. Ik hoor geen fluiten van kogels.”’ 
Logisch dat de rechercheur Suzanne interrumpeert, tikkend met de pen op zijn notitieboekje: ‘Hoe weet u dit allemaal zo nauwkeurig?’
Ze antwoordt vast met: ‘Mijn man heeft het honderden keren verteld. Hij dwong me. Ik moest van hem weten wat echt was gebeurd.’

Dat is juist. Ze heeft goed opgelet. Die luitenant kijkt me na de opmerking met opgetrokken wenkbrauwen aan en zegt met dat karakteristieke hoge stemmetje van hem: “Hé Willemsen, jij ook hier?” Op zijn bevel moet ik een geweergroep aan de linkerflank ondersteunen. Het ommuurde woonerf, een qala heet dat daar, naderen we tot op 50 meter en horen dan mensen luid spreken en kreetjes van kinderen. Een bruiloft. Het zijn vreugdeschoten. Ze vieren feest.
Met dit nieuws ren ik terug over de dijkjes aangelegd tussen de papavervelden. Op het moment dat ik de commandowagen onder de amandelbomen zie, met de luitenant in zijn hand een walkie talkie, scheert een Apache gevechtshelikopter laag over. Twee raketten verlaten kwaadaardig sissend de lanceerbuis onder de vleugels.

Terug in de woonkamer opent mijn vrouw een bureaula en toont een foto van een woonerf waarvan alleen de buitenmuren nog overeind staan; een beeld te choquerend voor mijn kinderen. Eigenlijk ook voor mezelf.
Ik herinner me hoe ik wezenloos een uur lang kijk naar de bomen rond het huis. Er hangen stukken vlees en stukken kleding in, alsof de takken ze hebben opgevangen. De rode vruchten van de oorlog, een betere manier van omschrijven weet ik niet. De mist van kruitdamp en de stank als van een dierendestructor drijven moeizaam weg. De luitenant betreedt als laatste de qala. Hij negeert de uiteengereten lichamen, informeert niet naar het aantal doden en commandeert: “Inladen, we gaan”.’

Suzanne zal daarna De Jong vast over de huilbuien hebben gesproken die de laatste jaren toenemen. Dat ik kwaad word om de meest onbenullige zaken. Een buurman, die zijn vuilnisbak te vroeg aan de weg zet, doet me bijvoorbeeld exploderen.
De rechercheur knikt dan en zegt: ‘Een oorlogstrauma splijt de mens.’
Waarop mijn vrouw verzucht: ‘Een spin in huis vangt hij en zet die buiten. Aan de andere kant ijsbeert hij urenlang door het huis, stompend in de lucht, trappend op de grond, roepend om wraak.’  
‘Gedroeg Alexander zich vanmorgen normaal?’ vraagt de inspecteur. 
‘Ik heb hem niet horen weggaan. Al jaren slapen we niet samen. Soms vind ik hem ’s nachts, de knieën samengetrokken, in de verste hoek van de bijkeuken. Ik ben bang dat hij mijn kinderen iets aandoet. Na lang praten gaat hij akkoord. Vanmiddag zouden we de scheidingpapieren tekenen.’
De inspecteur sluit daarop zijn notitieboekje.
 
Bij de Centraalpost Ambulancevervoer komt deze ochtend om 9 uur 50 de melding binnen van een frontale botsing op de kruising van de Waalsdorperweg met de Van Alkemadelaan. ‘Een spoedrit met letsel’ noemen we dat. Zoals altijd zit ik als eerste in de bestuurdersstoel en schakel de tweetonige hoorn in. Ik heb de reputatie van accuraat in de verzorging van gewonden. Collega’s prijzen mijn empathie. Van mezelf vind ik dat ondanks of misschien wel dankzij alle oorlogservaringen goed overweg kan met stress. Terwijl collega’s tierend op het verkeer afreageren, manoeuvreer ik moeiteloos door de nauwe passages.
Over het kruispunt liggen de brokstukken verspreid. Een legergroene Mercedes fourwheeldrive komend uit de richting van het kazernecomplex heeft geen voorrang verleend en zich in de flank geboord van een personenbusje. Zelf is de SUV na de botsing doorgeslipt en tot stilstand gekomen tegen een lantaarnpaal die door de klap breekt en het trottoir open ploegt.
Ik ben een getrainde hospik. Uitgestapt scan ik direct de zwaarste gevallen. Voor een kind in het busje komt alle hulp te laat. Bij de bestuurder leg ik snel een noodverband aan om het hoofd.
Als laatste werp ik een blik op de militair van de Mercedes SUV. Hij is uit de wagen geslingerd en ligt voorover op het asfalt. Ik draai hem voorzichtig om, en dan stolt mijn bloed. Het vlies van bulten en schaafwonden roept een vage herkenning op. Ik ruik opnieuw de bloesem van amandelbomen en luister naar ver feestgeruis. Langzaam opent hij de ogen en dan hoor ik die bekende schelle, arrogante stem:
‘Hé Willemsen, jij ook hier.’