Arnold Karskens leest zijn verhaal Esmée voor. Hij schreef het voor aflevering 6 van De Pennen zijn Geslepen.

‘Kent u de pijn die spijt heet, zuster? De wroeging die iedere dag aan je hart trekt, die je ‘s nachts onophoudelijk krabt en bijt tot de hanen kraaien? Ik zou u er graag voor waarschuwen, op dit bed in deze steriele kamer. Mijn gestel laat dat helaas niet toe, mijn stem spreekt niet meer. Mijn handen zijn verkrampt. U heeft geen idee hoezeer ik wens dat u mijn gedachten kunt horen, zoals u zorgvuldig iedere paar uur mijn infuus ververst en de dialyse voor mijn nieren aansluit. Die tederheid maakt dat ik u liefheb. Toch, hoe aardig u ook bent, ik ruil u graag in voor die andere vrouw, voor Esmée.
Weet u dat ik mijn Nederlandse SS-opleiding heb genoten op de Freimann kazerne in München bij de 15e infanterie-Geschütz-Kompagnie, hier niet ver van Ingolstadt? Met veel omzwervingen, die ik u zal besparen, belandde ik bij de Geheime Staatspolitie in Groningen in Nederland. Op een dag brachten collega’s Esmée van Eeghen binnen. Ze was slank met blozende bolle wangen. Qua uiterlijk lijkt ze veel op u, lieve zuster, hetzelfde golvend blonde haar.
Het moment dat onze ogen elkaar voor het eerst kruisten, haal ik me nog steeds voor de geest. Ze had niet die woeste blik als andere terroristen, zo noemden we onze tegenstanders van de groot-Germaanse gedachte. Nee, dan Esmée ze liep statig, als een Griekse priesteres in haar eigen tempel. Wonderlijk vertrouwd, alsof ze zich in ons SS-hoofdkwartier thuis voelde. Ogenblikkelijk besloot ik dat haar rankheid uit handen moest blijven van mijn chef Untersturmführer Knorr. De methoden van de Gestapo zijn u bekend? ‘We laten zelfs de doden praten.’ Beloofde elkaar.
Esmée heb ik nooit geslagen, wilt u dat alstublieft van me aannemen? Ik heb haar ergere dingen aangedaan, maar nooit gemarteld.
Dagenlang zat Esmée in haar blauwe jurk voor me in de verhoorkamer. Ze sprak over haar contacten, klappen waren niet nodig. Door het plafond en de muren klonk het gegil van haar kameraden. Geloof mij zuster, angst voor pijn maakt het geweten kneedbaar als stopverf.
Ondertussen bleef Esmée mooi, majestueus, verzorgd gekleed, en haar haren in model.
Op avonden liepen we gearmd door de stad en moest zij de huizen van verzetsmensen aanwijzen. Tientallen meters achter ons liepen mijn collega’s als bewaking. De avonden besloten we met jenever in mijn pension. Aan tafel legde ze haar hand op de mijne. ‘Klaas Carel Faber’ wat ben ik blij dat ik jou heb ontmoet.’ Zij was me dankbaar, en ik was blij met haar. We dromen luidop hoe ons leven er uit had gezien zonder de oorlog. Ik zou, net als mijn vader, eigenaar zijn van meerdere banketbakkerijen. ‘Ik ben gek op gebak,’ kirde ze. Ze zag ons op een Waddeneiland, rennend over het strand en samen liggend in de duinen. Daar was de oorlog ver weg. Ze vond me knap, met mijn kuif en strakke kaaklijn.
Terug in het hoofdkwartier op de Grote Markt bracht ik haar zelf terug naar de cel. Als afscheid kuste ze me op de wang. Ze rook naar lavendel, nog steeds raak ik ontroerd als ik deze bloemen ruik. Ze was de mooiste vrouw van het Nederlands verzet.
 
Op 7 september 1944 gaf mijn Gestapochef het bevel dat we Esmée kwijt moesten. Haar informatie klopte niet. Dezelfde avond reden we naar het Van Starkenborghkanaal. Na de oorlog in mijn verhoren heb ik altijd gewezen naar Knorr als de man die haar doodde. En vertelde dat ik zelf in de auto achterbleef.
Dat is niet correct. Ik was de man die haar vermoordde.
Toen de auto stopte, stapten we samen uit. We hadden op dat moment de velden in moeten rennen. Vluchten.
Mijn eerste schot, gericht op haar achterhoofd, miste. Ik trilde. Geschrokken draaide ze zich om en weerde tevergeefs de volgende kogel af met haar hand. De flits van het kruit weerkaatst in haar radeloze ogen. Voelde ze zich verraden door mij of zag ze haar plan mislukt? Het derde schot raakte haar vol in het lichaam. Ik droeg altijd een pistool FN 9 mm kort. Als u het autopsierapport naleest, vindt u dit kaliber terug. Mijn collega’s mikten pas toen ze al op de grond lag. We rolden haar samen het kanaal in.
Ik zie u met verschrikte ogen kijken: waarom schiet je iemand dood waar je zielsveel van houdt? Bij de verhoren na de oorlog zei ik dat ze Wehrmacht-officieren naar een hotel lokte, waar haar kameraden hen opwachten en doodden. Ik had ook een reden voor kwaadheid, op haar, op de Hollandse verraders, op de Amerikanen, op de joden, op de bolsjewieken. Mijn vader was drie maanden eerder door terroristen vermoord; rijdend op zijn fiets door zo’n andere terroriste Hannie Schaft.
De kogel die je doodt, voel je niet, zeggen ze. Dat hoop ik zo voor haar. Maar mijn eer heet trouw.
 
Weet u, soms zie ik Esmée voor het gangraam staan en gluurt ze naar binnen. Ze wacht daar met haar koffers om met een roeiboot te worden overgezet naar de eilanden, zoals ik heb beloofd. Zeker is dat ze me in een val had laten lopen en ik met een kopschot was afgemaakt. Oorlog is hard, ook geliefden moeten kiezen.
Maar zuster, waarom sluit u geen nieuw infuus aan? Is de dialyse nu al afgerond? U lacht, net zo betoverend als Esmée, mysterieus spelend met de lippen. Mijn trouw heet de eer. Mijn liefde van mijn leven heb ik vermoord voor enkele jaren illusie.
Van het nazisme neem ik geen afstand, nooit, maar het ontkennen van mijn schuld bij haar dood zie ik als hoogverraad.
Na de oorlog werd ik veroordeeld en ontsnapte uit mijn cel. Spijt, weet ik inmiddels lieve zuster, het alles verterende zelfverwijt voelt zwaarder aan dan de langste gevangenisstraf.
 
Arnold