Arnold Karskens leest zijn verhaal 'Het Lamshoofd' voor. Hij schreef het voor aflevering 1 van De Pennen zijn Geslepen.

Voor soldaten beginnen alle oorlogsdagen gelijk, ook de zwarte. Routinematig trekt Igor de grendel van zijn telescoopgeweer naar achteren. De punt 50-patroon schuift de loop in en met de vinger gestrekt langs de trekker tuurt hij door de richtkijker. Hij focust op een flat een paar blokken van zijn huis, achter het parkje waar hij voor de oorlog met zijn zoon verstoppertje en voetbal heeft gespeeld. Nu wappert een zwarte vlag naast met balken dichtgetimmerde ramen.

Ieder front in een belegerde stad kronkelt als een slang; beweegt het beest dan zoekt een sluipschutter een andere vuurpositie. Deze ochtend heeft Igor bij de commandant de meest recente posities van de tegenstander opgehaald.  

‘Ze infiltreren sterker in onze buurt’, waarschuwt de militieleider. ‘Naderen onze huizen.’ Op een map tekent hij kruisjes: de vijandige stellingen in de wijk die onder vuur genomen moeten komen. ‘Richt bij voorkeur op leidinggevende officieren.’ Als loyaal strijder knikt hij gehoorzaam en gaat op pad.

Op een besneeuwde helling, in een half afgebrand huis waar het stinkt naar rook en urine loopt Igor via een wankele trap naar de hoogste etage, rolt een zacht rubberen matrasje uit, slaat de pootjes open onder de loop van zijn Barrett M107, gaat liggen en trekt een camouflagenet over zich uit.

‘Een jager met gewetensnood is gedoemd tot de hongerdood’, motiveert Igor zijn werk als moordenaar in de meest pure vorm. Oorlog kent voor hem dan ook geen verleden, geen spijt. Iedere dag, op weg naar zijn werk, draait hij zich voor het eind van de straat om en zwaait naar het balkon. Zijn evenbeeld met blond stekeltjeshaar wuift terug, de knuisjes nog zacht van babyvet.

‘Zorg dat onze zoon warm is gekleed als hij de straat opgaat,’ drukt Igor die morgen zijn vrouw op het hart. Ze omhelzen elkaar en zoenen hartstochtelijk. De scholen zijn dicht, een onderwijzer geeft tegen betaling bijles. Hun enig kind moet dokter worden, of een hoge ambtenaar. In gedachten geeft hij opnieuw een kus aan beiden, want niets verdrijft zo makkelijk de consequentie van zijn kwaad als dromen over een stralende gezamenlijke toekomst.

Vrieskou kruipt via zijn voeten op naar zijn knieën. Voor het bevorderen van zijn bloedomloop verlegt Igor zijn benen. Juist op dat moment hoort hij de snerpende fluittoon van kogels.  Met een doffe klap slaan ze in op de zwartgeblakerde balken vlak boven hem. Zijn positie is gelokaliseerd door ‘snipers’ van de tegenstander. Even is hij geen jager maar prooi. Bliksemsnel tijgert Igor een paar meter naar achteren, pakt zijn uitrusting, rent de trap af, verlaat het huis langs de achterzijde en nadert via belendende tuinen en een aflopend pad de vijandige linies tot op een kilometer.

Opnieuw vliegen kogels in hoge gilletjes over hem heen. Kou en stress laten zijn handen inmiddels onophoudelijk trillen. Pas na een ‘kill’ mag een sluipschutter de warmte opzoeken, zo luidt het bevel.
Zijn verkleumde vingers krijgen het vizier nauwelijks scherp gesteld. Het beeld in het oculair zwaait wanhopig langs ramen en deuren. Is er niemand die in zijn val trapt? Daar, over het voetpad langs de kale bomen loopt een doelwit zonder zigzaggen. De zwarte kruisdraden in het vizier delen nu een smoezelig witte bontmuts in vier gelijke delen. Richtpunt vastgesteld.

Leert de vijand niets bij de opleiding, vraagt Igor zich af. Met slalommen is het stukken moeilijker richten voor de tegenstander. Hij ziet geen epaulet met sterren of strepen van een officier, maar insignes worden vaak aan het front verwijderd om niet op te vallen tussen gewone manschappen. Nu aarzelen is dodelijk. Zijn wijsvinger kromt om de trekker. Een schot klinkt. De zware terugslag pijnigt zijn rechterschouder, zijn oren suizen en kruitdamp prikkelt in zijn neusgaten.

Pas veilig in de vuurluwte van zijn eigen flat vermindert hij vaart, kijkt naar het balkon van zijn flat. De jongen staat niet achter het raam, wachtend op zijn vader. Natuurlijk, hij is naar de onderwijzer.
Igor kust zijn vrouw, die zegt: ‘Onze zoon komt zo thuis.’  
‘Heb je hem wel goed aangekleed’, vraagt Igor.   
Ze lacht. ‘Ik heb een oude muts geleend van de buren, van lamsbont. Gebruikten ze niet meer. Het staat hem schattig, hij kreeg er wel een dikke kop door.’  

Een fractie van een seconde lacht Igor hardop mee. Dan loerend door de telescoop ziet hij een hoofd als een watermeloen in grote scherven uit elkaar spatten.

Arnold