Arnold Karskens leest zijn verhaal 'Pasta en bonen' voor. Hij schreef het voor aflevering 2 van De Pennen zijn Geslepen.

Het sirenegeloei van escorterende motoragenten kondigde al drie straten ver de komst van de zwarte limousines aan. Tegen de tijd dat de stoet met hoge snelheid over de brede boulevard racete, hing Eva in het open raam van haar appartement. De bejaarde vrouw met zacht krullend grijs haar wist dat de nieuwe minister van Staatsveiligheid plaatst had genomen in het middelste voertuig, een eerste en laatste auto hebben een verhoogd risico. Na al die jaren voelde ze zijn denkwijze feilloos aan.

‘Kom niet op straat’, klonk het dringend advies een week eerder door de telefoon. ‘Ze pakken je dan op.’ Dus bleef ze op de nationale feestdag in haar woning, zenuwachtig dribbelend over de grijze vloerbedekking en hangend in stoelen met versleten zitvlakken. Op desperate momenten pakte ze uit de kast met krakende deuren kleding van haar echtgenoot, een stapel hemden of broeken. Zittend op bed, gedrapeerd sinds hun huwelijk met een wit gehaakte sprei, hield ze haar neus vlak boven de relikwieën en haalde diep adem. Hoe vaak had ze niet tegen hem gezegd: ‘Je stinkt, je moet je meer wassen en schone kleren aantrekken.’ Nu zou zijn lichaamsgeur haar in extase brengen.

Terwijl boven de stad de zware politiesignalen wegstierven, zag ze op de kleine televisie in de woonkamer hoe de presidentiële processie het centrale plein opreed. Autoportieren sloegen open en zwaar gedecoreerde uniformen stapten uit voor de bloemlegging. De fanfare zette het volkslied in en uit stil protest liep ze naar de nauwe keuken waar vette raampjes mistig licht verspreidde. Ze trok wat kastjes open. ‘Pasta in roomsaus en bonen met chili kan ik iedere dag eten,’ hoorde ze haar man zeggen onderwijl vrolijk tikkend met het bestek op tafel. Nog altijd wachtten zijn favoriete pakken en blikken op consumptie. Voor het geval.

Liefdevol wreef ze met een hand over het granieten aanrecht vol barsten waar hij haar ooit in een dronken bui tegenaan drukte. ‘Kun je weer niet wachten,’ fluisterde ze, en boorde haar tong zo diep in zijn oorschelp dat hij geënerveerd met één haal de vuile vaat wegveegde en zijn werkmanshanden haar lijf bij de billen optilde. De herrie alarmeerde buren die ongerust op de deur klopten. Het was het laatste keer dat ze samen slap lagen van het lachen.

Pas bij het zwijgen van de muziek liep Eva terug de kamer in en boog voorover naar het tv-toestel. Met haar leesbril op haar neus herkende ze moeizaam in een perkamentkleurige gelaat haar vijand. Wat was deze beul vermagerd en wat liep hij minder verzekerd.

De onderzoekmappen met getuigenverslagen over de verdwijning van haar man schoof ze in een plastic tas en zette die samen met wat eigen toiletspullen en kleding alvast bij de deur. Wat nog meer? Het belangrijkste was ze bijna vergeten, het bewijs dat hij ooit heeft bestaan: zijn paspoort. Het lag in het notenhouten secretaire, precies zo achtergelaten toen de geheime politie zeven jaar geleden op een middag voor de buitendeur stond.

Vanachter het raam zag ze hoe een iel mannetje haar man snoeihard met een knuppel in zijn gezicht sloeg waarna het bloed uit de neusgaten spoot. Die avond vertelden agenten op het districtsbureau dat de zaak van haar echtgenoot een kort verhoor betrof. De volgende dag zou hij terugkeren, kleren achterlaten was niet nodig.

Jarenlang bezocht Eva het kantoor van het ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling vermissingen, en nam geduldig plaats in de lange rij wachtenden. Keer op keer was er geen nieuws. Aan opgeven dacht ze niet en bezocht de mortuaria van de stad, keek in hospitalen patiëntenlijsten na en speurde tussen de zwarte lavablokken op de vulkaanhellingen buiten de stad op plekken waar lijken van regeringsopponenten werden gedumpt. Ook reisde ze naar ver afgelegen gevangenissen, met uit voorzorg schone kleren ingepakt in bruin papier en vastgebonden met dun touw.  Na iedere teleurstelling voelde dit huis aan als haar eigen strafcel en ijsbeerde Eva nachtenlang desperaat van verdriet door de vertrekken waar ze samen dansten, ruzie maakten en plannen beraamden voor een betere toekomst van dit land.

Op de televisie begon de kranslegging. Ze zette het apparaat uit. De spanning was niet langer te harden.

Eindelijk rinkelde de huisbel en behoedzaam opende ze de deur. De besnorde man in een korte zwarte jas wenkte haar met een snelle handbeweging. ‘U moet meekomen. Nu! Nee, laat uw bagage maar staan.’