Arnold Karskens leest zijn verhaal ‘Verdomme’ voor. Hij schreef het voor aflevering 4 van De Pennen zijn Geslepen.

De vuile verrader hoor ik vloeken na het inslaan van het vitrineglas boven mijn Dustar Dimona 6.5 inch combat knife. Iedere nieuwe bezoeker aan deze fractiekamer wijs ik op het unieke embleem van de Israëlische luchtmacht. Trots dat de beste fighting force ter wereld mij die ooit heeft geschonken. En nu zit hij er met zijn vieze klauwen aan.
‘Kankerjood’, hoor ik boven mij.
‘Kutmarokkaan.’  
‘Haha. Ik ben een Berber.’ Het klinkt triomfantelijk alsof hij me op een fout betrapt.

Zijn zware ademhaling stokt. Zou hij aarzelen? Ook ik houd mijn adem in. De mespunt voelt als de prik van een injectienaald, net onder mijn rechteroor.
Waar sterft een lichaam eigenlijk het eerst? Waar men de pijn ervaart? Dat is in mijn buik. Het lijkt of een hark mijn ingewanden er langzaam uittrekt. Mijn god. Een draaikolk in mijn hersens sleurt me de diepte in waar mijn hoofd blijft botsen tegen uitstekende rotsen.

Ruw pakt een hand m’n kin vast en ik hoor hoe het lemmet schraapt over mijn strottenhoofd. ‘Wat wil je: meer of minder?’ Een hikkerige lach drijft weg.

Ik wil ‘klootzak’ schreeuwen maar kan de klanken niet vormen. Bloed vult mijn mondholte. Ik duw mijn hoofd naar achteren richt op de opgeschoren kuif boven me en duw met alle kracht mijn bovenlichaam naar boven.

Alle denkbare ellende heb ik eerder in nachtmerries ervaren. Uiteengescheurd door spijkerbommen. In mijn auto aan flarden geschoten. Gestenigd bij een bezoek aan een markt. De waanzin die groeit als een inlichtingendienst waarschuwt voor een nakende aanslag.

Kan iemand die carrousel van beelden in mijn hoofd stoppen?
De chef Dienst Bewaken en Beveiligen die beweert dat Achmed als beste de dreigementen van Mocro’s kan inschatten; arische puriteinen in de partij die bezwaar maken, want hij is en blijft een Noord-Afrikaan; mezelf argumenterend: echt donker is-ie niet, eerder een Brabander met een Spaanse betovervader die wat lang in de zon heeft gelegen. De diashow hapert als Achmed me hardhandig naar binnen duwt en de deur voor de neus van zijn collega’s dichtslaat. Als ik protesteer, draait hij mijn armen op de rug en voel ik handboeien knellen om de polsen. In een vloeiende beweging werpt hij me op de ovale vergadertafel.

Als mijn onnozelheid kon vliegen, zou ik nu de wolken raken.

Benen, schouders, alles schokt inmiddels als een sorteermachine. Mijn hoofd heeft hij over de rand van de tafel getrokken, gelijk een schaap op een slachtbank. Dikke draden bloed lopen tot de vloer. Zijn er woorden die verdoven? Geen Jean-Paul Sartre met: ‘De dood geeft geen extra dimensie aan het menselijk bestaan.’ Fuck hem. Ik wil leven!

Alle onthoofdingsfilmpjes van de Islamitische Staat op YouTube heb ik op eenzame avonden in mijn safe house bekeken, stiekem, alsof het porno betreft. Bij elke executie vraag ik me af waarom de oranje overalls geen weerstand bieden, schoppen of slaan. Een teken geven aan hun familie, een dikke middelvinger opsteken, het V-teken maken. Ben ik in het zicht van de dood nu ook laf? Denk ik dat lethargie mijn leven zal redden, net die ene seconde aarzeling bezorgt die hem op andere gedachte brengt? Oké, ik beweeg me niet. Wie weet.

Geen vuisten maar zware schoenen hoor ik nu rammen op de deur. Kogels versplinteren het houtwerk rond het slot. Ze komen me redden. Yes. Godzijdank. Kan iemand het bloeden stoppen?

Mijn dochter rent naar mij toe, zwaaiend met haar schoolrapport. ‘Over, papa, ik ben over’, roept ze. Met één hand aan de telefoon, duw ik haar met de andere hand weg en ga door met het gesprek. De traan die ik ooit laat vloeien in mijn leven is om het beeld dat ik weggedraai van de enige in de hele wereld die ik ooit heb kunnen vertrouwen.

De zwarte plekken voor mijn ogen groeien naar elkaar toe. Word ik nu blind? Het suizen in mijn oren verstomt. Word ik nu doof? Treed zo de dood in; vallen mijn functies stuk voor stuk uit? Met de laatste lucht uit mijn longen drijft een nieuwe golf bloed mee. Lauw water loopt langs mijn dijen, de kracht over mijn blaas ben ik ook al verloren. Mijn kringspier verslapt. Ik crepeer, wentelend in mijn eigen ontlasting, en die geitenneuker sterft als een held.

Verdomme.